Dichtbij

De woorden en ik.

Een lied over niks

Ik zie licht. Wit licht en nevelslierten. Die opzij schuiven. En vanachter die nevelslierten een figuur. Een mevrouw, een mooie dikke kwabbige mevrouw.
Tis mijn moeder. Mijn moeder die mij roept, ze spreekt mij toe vanuit hemelse dreven: “Kom maar hier kleine jongen”, zegt ze, “kom maar hier, leg je hoofd maar in mijn schoot, ik zal pleisters plakken waar je gesneden bent en ik zal de dieren uit je haren halen.” 
En dan doe ik dat, dan leg ik mijn hoofd in haar schoot. En dan aait ze mij en dan zegt ze dat ik gerust mag zijn. Dat ik niet meer moet hopen, dat ik niet meer moet proberen, het helpt toch niet. Ge zijt helemaal alleen. Zoals iedereen altijd en overal alleen is, in alle talen. Ge zijt bloot en weerloos, ge zijt gemaakt van dun papier; een windvlaag, en ge vliegt omver. En tis niet dat de anderen u niet willen helpen; het is dat ze zelf gemaakt zijn van dun papier: een scheurtje en ze scheuren. 
En ge kijkt naar mij en ge ziet u zelf staan. En ge zegt tegen uzelf wat ge altijd al geweten hebt: dat uw pijn voor u alleen is. Niemand anders kan deraan, niemand heeft er weet van. En dat is goed zo, zo zijn we vrienden. Dat soort vrienden zijn we: we proberen niet, hopen niet, we kijken. We kijken elkaar aan en we zeggen: “Kom leg uw pijn maar hier bij mij, het zal geen grammetje helpen; kom leg uw hoofd maar in mijn schoot dat ik u aai. Dat ik zeg dat ge van geluk moogt spreken dat ge niets betekent. Kom dichterbij, kom, ik heb u niets te bieden. Kom vertel mij u verhaal, ik beloof ik zal er niets van snappen. Kom, leg u in een bolleke aan mijn voeten, ik zal een lied zingen voor u. Over niks.” 
-Wim Helsen, een lied over niks

‘Ik schrijf niet, ik beschrijf.
En heel lang heb ik niet geweten waarom. Ik dacht dat het een roeping was of zoiets. Ik hield vast aan dat romantische idee dat het schrijven naar mij op zoek ging en niet omgekeerd.
Pas veel later besefte ik plots, dat ik het was, die het schrijven zocht. Dat het voor mij een manier was om vast te houden aan de dingen.  Ik schreef dat het mooi weer was, omdat het dan in die specifieke regel altijd mooi weer zou blijven.  Zelfs als het buiten al lang weer winter was, als de koude door mijn longen sneed en een ijskoude regenbui rode vlekken op mijn huid achterliet, dan nog was het die mooie julidag in de woorden die ik maanden geleden schreef.  Als ik schreef dat je van me hield, dan zou je me in die woorden nooit verlaten. Ik schreef over uitstapjes en mooie gesprekken, over dingen die ik las, over de glimlach van een onbekende. Ik schreef alle mooie momenten neer en dacht ervan te kunnen leven.
Maar ik beschreef haar duizend keer en vind haar niet meer terug. ‘

Achter elke deur bestaat een leven.
 Een gezin met twee kleuters en een moeder die op zondag pannenkoeken bakt. Een vader in een sjiek, zwart pak, een beetje kalend aan de kruin.  Een oma die op woensdagmiddag  babysit en een beige kat.
Aan de overkant een oude man. Een gekromde rug en een blik die altijd vraagt om een gesprek.
In zijn huis woont de eenzaamheid en hij er ergens tussenin.
Vergeelde foto’s aan de muren verraden een leven dat  ongemerkt vergleden is  en bewijzen  dat het waar is wat er wordt gezegd, dat het vroeger beter was.
Als ik vertrek, worden zijn ogen vochtig.
‘Ik kom nog terug’ beloof ik en kus hem op zijn stoppelige wang.

In de Berkenstraat in Wilrijk staan 52 huisjes en pal in het midden, tussen huis vijf- en zesentwintig ligt een parkje. Een parkje bestaande uit een beekje, een paar dennen, een paar sparren, een grote loofboom, in een hoekje een paar struiken en een houten bankje. Enfin, een parkje dus.
Meestal is dat bankje verlaten en biedt het in al zijn eenzaamheid een wat troosteloze indruk.  Het heeft iets weg van een kind dat moederziel alleen op de speelplaats staat. Het heeft zijn boekentas nog op de rug en weet geen blijf met zijn veel te snel gegroeide armen. Zo staat het bankje daar.

Maar soms, op volledig willekeurig geplukte tijdstippen zit er een koppel op het bankje. Een man met forse wenkbrauwen, maar vriendelijke ogen en een perfect gecoiffeerde vrouw. Ze zitten daar, naast elkaar, gehuld in een tijdloos zwijgen en roken een sigaretje. En wanneer dat sigaretje dan bijna is opgerookt, duwen ze het, elk aan hun kant van de bank, uit in de metalen leuning., Ze staan op en wandelen naar huis. Nog steeds gehuld in dat zwijgen, maar met iets voldaan in hun ogen, iets content. Het is de blik van iemand die berust,  iemand die graag thuis komt, iemand die nog het beste slaapt in zijn eigen bed. 

En hoewel ik verder volledig tegen roken ben, vind ik dat het hele ritueel een mooi gegeven. Zeker wanneer ik bedenk dat het niet begint op dat bankje, waar ik ze vanuit het raam in mijn kamer kan zien. Pas wanneer ik mij voorstel hoe ze thuis in de zetel zitten. Hij met de krant, zij met een boek van de bibliotheek en hoe ze elkaar dan plots in de ogen kijken, ook hier genoeg hebben aan die ene blik. Hoe ze hun jassen aandoen en hun pantoffels verruilen voor stevigere schoenen. Hoe hij nog snel het pakje sigaretten van het aanrecht grist.
Pas wanneer ik mij dat allemaal voorstel, wordt het ritueel voor mij compleet. Dan krijgt het plotseling iets heel intiem, iets tussen hen. De ultieme daad van liefde. 

'Weet je wat het is,' zeg ik als ik met Robert de besneeuwde Field Road afschuifel. 'Het begint allemaal met grote verwarde gevoelens.'
Je herinnert je later alleen maar een soort koorts, een gloed van binnenuit die alles bijzonder maakte, het allergewoonste waar je samen met haar langsliep, waar je samen met haar naar keek en over sprak. Een boerenschuur, een uithangbord, een zwerm spreeuwen wegstuivend van een akker. Een verlangen was het om alles waar zij naar keek in je op te zuigen, om niet te vergeten, geen moment van deze wereld die plotseling haar wereld was geworden; koel, helder, ondoorgrondelijk.
Je moet nooit teruggaan naar plaatsen van vroeger. Dan vernietig je die gloed, de kern van je herinneringen, zoals papa, die, zo oud als hij was, na mama’s dood de auto pakte en alle huizen afging waar hij samen met haar in had gewoond. Een paar waren afgebroken, in andere woonden vreemde mensen achter geplooide vitrages met verplanten in de vensterbank. Na die tocht leken zijn herinneringen meer op verzinsels dan op feiten, zei hij en hij was verbitterd omdat de wereld veranderd was en geen rekening met zijn verleden en zijn gemis had gehouden.

- J. Bernlef, hersenschimmen

In een Grieks museum, bij een fresco met dolfijnen, leerde ik hoe hard de kunst veranderd is.
De Grieken hielden van wat mooi is.
Een wapperend gewaad, een mozaïek vol duizelingwekkende patronen en diepe kleuren. Juwelen van de mooiste stenen, tempels versierd met goud.
Wij tonen liever hoe wankel alles is. Hoe kwetsbaar de wereld en hoe ondefinieerbaar klein de mens.
Ergens in die drieduizend jaar tussen toen en nu zijn wij onze liefde voor schoonheid verloren.
Maar ik leerde ook dat schoonheid de tijd kan overwinnen. Bij een vitrine met juwelen werd ik diep ontroerd door de aanblik van een gouden ring. En het was niet de schittering van het goud, of de delicate rozen die hem zijn schoonheid gaven. Het was de verborgen liefde van de vrouw die hem al die millennia geleden om haar vinger droeg. Haar glimlach die je haast nog in het goud weerspiegeld zag.
En de hoop dat iemand mij op een dag net zo’n ring zou geven en dat er drieduizend jaar later dan misschien wel net zo’n meisje hetzelfde denken zou.

een stukje uit het mooiste boek

'Op een dag, toen we in een park zaten, legde hij me uit dat we allemaal een bepaald idee van onszelf hebben, misschien maar een vage schets, onduidelijk, maar uiteindelijk zijn we geneigd een bepaald idee van onszelf te hebben, en de waarheid is dat we dat idee vaak laten samenvallen met  een bepaald denkbeeldig personage waarin we onszelf herkennen.'
'Zoals?'
Rebecca dacht er even over na.
'Zoals iemand die naar huis wil maar de weg niet meer kan vinden. Of iemand anders die de dingen altijd net iets eerder ziet dan de rest. Dat soort dingen. Dat is wat we van onszelf kunnen aanvoelen.'
'Maar dat is onzinnig.'
'Nee. Het is onnauwkeurig.'
Het oudje staarde haar aan. Je kon zien dat hij echt zin had om het te begrijpen.
'Jasper Gwyn heeft me geleerd dat we geen personages zijn, we zijn verhalen,' zei Rebecca. 'We blijven hangen bij het idee dat we  een personage zijn dat verwikkeld is in God weet wat voor avontuur, ook het meest eenvoudige, maar wat we moeten begrijpen, is dat wij het hele verhaal zijn, niet alleen dat personage. We zijn het bos waarin hij wandelt, de slechterik die hem bedriegt, de chaos om hem heen, alle mensen die voorbijkomen, de kleur van de dingen, de geluiden. Kunt u dat begrijpen?'
'Nee.'
'U maakt lampjes, is het u ooit overkomen dat u een licht zag waarin u zichzelf herkende? Dat u echt helemaal was?'
Het oudje dacht terug aan een brandend lantaarntje bij de deur van een cottage, jaren geleden.
'Eén keer,' zei hij.
'Dan kunt u het dus wel begrijpen. Een licht is alleen maar een stukje van een verhaal. Als er een licht bestaat dat is zoals u, dan zal er ook een geluid zijn, een straathoek, een wandelende man, een heleboel mensen, of slechts één vrouw, dat soort dingen. U moet niet ophouden bij het licht, denk ook aan alle ander dingen, denk aan een verhaal. Kunt u begrijpen dat het bestaat, ergens, en dat als u dat verhaal zou vinden, dat dat dan uw portret zou  zijn?'
Het oudje maakte een van zijn typische gebaren. Het deed denken aan een vaag ja. Rebecca glimlachte.

-Mr Gwyn, Alessandro Baricco

humansofnewyork:

"One of the magical things about theater is that it gathers a crowd of people in a quiet space, and each member of the audience gets to see how people respond differently to the different things being said on stage. The person next to you will laugh at something that you’d never think of laughing at, and you’ll get a glimpse into all the different ways of viewing the world. Unfortunately, so much theater today is less nuanced. It gives you a large dose of one way of thinking, in hopes of getting as many of the same type of people into the theater as possible."

humansofnewyork:

"One of the magical things about theater is that it gathers a crowd of people in a quiet space, and each member of the audience gets to see how people respond differently to the different things being said on stage. The person next to you will laugh at something that you’d never think of laughing at, and you’ll get a glimpse into all the different ways of viewing the world. Unfortunately, so much theater today is less nuanced. It gives you a large dose of one way of thinking, in hopes of getting as many of the same type of people into the theater as possible."

09/06

'Je drinkt je koffie net zoals je je leven leidt,' zei ik.
We waren net terug van een lange strandwandeling en het was veel te koud geweest voor een zomerdag. De wind had het zand genadeloos tegen onze gezichten gesmeten en had vuurrode vlekken getekend op onze wangen.
‘Je blijft maar suiker nemen om de bittere smaak te verbergen. Je proeft zelfs niet even.
En je denkt dat je gelukkig bent op die manier. Dat je het goed vindt zo, maar uiteindelijk zal je nooit weten hoe koffie nu echt smaakt. Hoe het allerbitterste op de bodem van een kopje je soms gepijnigd doet grimassen. Die lichte tinteling die razendsnel door heel je lichaam trekt. De smaak die nog uren in je mond blijft plakken. Dat zal je allemaal nooit weten als je die verdomde suiker niet eens aan de kant zet!’
Ze schrok van mijn plotselinge stemverheffing. Ze zoog haar bovenlip zachtjes naar binnen en sloot haar ogen. Dat deed ze altijd als ik haar kwaad had gemaakt.
‘Misschien hou ik helemaal niet zoveel van koffie als jij denkt,’ zei ze zachtjes.